Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC1790

Datum uitspraak2008-01-11
Datum gepubliceerd2008-01-14
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/2718 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

WAO-schatting. Nader besluit. Hoger beroep niet-ontvankelijk vanwege ontbreken procesbelang.


Uitspraak

06/2718 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 april 2006, 05/6027 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 11 januari 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellant is door mr. M. Spek, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en zijn de gronden aangevuld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden. De zaak is behandeld ter zitting van 16 november 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Spek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M. Folkerts. II. OVERWEGINGEN Het inleidende beroep richt zich tegen het ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op 18 juli 2005 door het Uwv genomen besluit. Dat besluit strekt tot de handhaving van het besluit van 24 februari 2005, waarbij aan appellant na afloop van de wettelijke wachttijd per 12 november 2004 een WAO-uitkering is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant wegens elleboogklachten links niet langer geschikt is tot het verrichten van zijn werk als tomatenplukker, maar met gangbare arbeid ten minste 75% kan verdienen van zijn geïndexeerde loon als tomatenplukker. In de loop van de rechtbankprocedure heeft het Uwv het bestreden besluit van 18 juli 2005 gewijzigd. Met het wijzigingsbesluit van 3 november 2005 is de mate van appellants arbeidsongeschiktheid ingaande 12 november 2004 vastgesteld op 25-35%. Reden voor deze wijziging is dat de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 1 november 2005 één van de voor de schatting gebruikte functies als ongeschikt heeft aangemerkt. De rechtbank heeft het beroep aangemerkt als mede te zijn gericht tegen het besluit van 3 november 2005 en dat beroep ongegrond verklaard. De Raad kan appellant niet volgen in zijn, in hoger beroep herhaalde beroepsgrond dat de voor hem geldende, uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen zijn onderschat. De Raad kan zich wat dit betreft vinden in de overwegingen en conclusie van de rechtbank. Appellant heeft uitdrukkelijk aangegeven dat als van de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen wordt uitgegaan, de resterende voorbeeldfuncties als geschikt kunnen worden beschouwd. De in bezwaar door appellant gemaakte kosten, heeft het Uwv vergoed en dit is niet langer onderdeel van de rechtsstrijd tussen partijen. Ter zitting heeft appellant desgevraagd te kennen gegeven geen belang (meer) te hebben bij een beoordeling van het tegen het besluit van 18 juli 2005 gerichte beroep. Met appellant is de Raad van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft volstaan met de ongegrondverklaring van het beroep. Het inleidende beroep had de rechtbank bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk moeten verklaren, het beroep dat geacht wordt zich uit te strekken tot het besluit van 3 november 2005 had ongegrond moeten worden verklaard, maar de rechtbank had voorts aanleiding moeten vinden tot veroordeling van het Uwv in de kosten van het geding. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak om die reden niet in stand kan blijven. De Raad ziet tevens aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van het hoger beroep, voor appellant wegens de hem verleende rechtsbijstand begroot op € 644,-. De proceskosten in beroep stelt de Raad wegens de aan appellant verleende rechtsbijstand vast op € 644,-. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het inleidende beroep niet-ontvankelijk; Verklaart het beroep tegen het besluit van 3 november 2005 ongegrond; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het griffierecht van € 134,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008. (get.) R.C. Stam. (get.) J.E.M.J. Hetharie. MK